Hoe belachelijk je de inzet van de rechtszaak ook kan vinden, een kantonrechter in Den Haag heeft deze week wel een heel gevaarlijke uitspraak gedaan (ECLI:NL:RBDHA:2019:5000).

De casus in een notendop: een verzekerde van AnderZorg krijgt een nota van € 329,14 en betaalt daarvan € 329,-. De 14 cent belandt in een aanmaanprocedure en uiteindelijk wordt er voor gedagvaard. Verzekerde verschijnt niet in de procedure en wordt bij verstek veroordeeld. De kantonrechter wijst de hoofdsom van 14 cent toe en wijst de nevenvorderingen (buitengerechtelijke incassokosten, wettelijke rente en proceskosten) af. De vordering komt hem of haar niet ongegrond of onrechtmatig voor, maar wel onfatsoenlijk. 

De overwegingen die de kantonrechter maakt zijn: “De kantonrechter kan eiseres weliswaar niet het recht ontzeggen om een dergelijk gering bedrag in rechte te vorderen, maar dat laat onverlet dat het voeren van een gerechtelijke procedure, voor de inning van een objectief gezien zeer gering bedrag niet is bedoeld, mede gelet op de belasting van het gerechtelijk systeem.” Een copy/paste uit eerdere jurisprudentie dus. 

Echter, de kantonrechter maakt ook de volgende overweging: “Gedaagde heeft immers de facto voldaan aan de aanmaning van de gemachtigde van eiseres door na het ontvangen van de veertiendagenbrief en vóór het uitbrengen van de dagvaarding het overgrote deel (ad € 329,-) van het verschuldigde bedrag te voldoen.”

Deze laatste overweging zou kunnen betekenen dan wanneer een afnemer 80% van een factuur heeft betaald, de rest niet geïncasseerd mag worden. Immers, het overgrote deel van de factuur is voldaan.

Het is dit soort cowboy-rechtspraak waar ik mij over kan opwinden. Ja, een ieder begrijpt dat je niet fatsoenlijk kan procederen om 14 cent. Maar zolang rechters worden geacht lijdelijk te zijn en Nederland geen constitutionele toetsing kent, dienen rechters zich aan de regels van het spel te houden. En die regels zijn op dit moment nu eenmaal dat er geen ondergrens is voor een gerechtelijke procedure en bovengenoemde nevenvorderingen. Daarnaast kent Nederland geen alternatief voor de bodemprocedure voor het incasseren van een geldvordering, dus wordt de facto het recht op toegang tot de rechter ontnomen.

Hoewel de handelswijze van deze kantonrechter geen schending oplevert van art. 6 EVRM, doet het m.i. wel heel erg af aan de kwaliteit van rechtspraak. Tevens levert deze cowboy-rechtspraak rechtsongelijkheid en zeker rechtsonzekerheid op, want wat is nu de grens die gehanteerd wordt? En is die grens ook gelijk in het land, of houden Den Haag, Amsterdam, Maastricht en Zwolle hier eigen richtlijnen op na (die bij mijn weten niet gepubliceerd worden)?